Galerie Matthiesen behoorde tijdens het interbellum tot de vooraanstaande kunsthandels van Berlijn. De onderneming werd in 1923 opgericht door de Duits-Joodse kunsthandelaar Franz Zatzenstein-Matthiesen (1897–1963), die later in Engeland de naam Francis M. Matthiesen gebruikte. De galerie handelde zowel in Oude Meesters als in Franse negentiende- en vroegtwintigste-eeuwse kunst en bouwde in korte tijd een sterk internationaal netwerk op.[1]

Frans Hals, Portret van een jonge man. Olieverf op doek. In 1931 via Galerie Matthiesen, P. & D. Colnaghi en M. Knoedler & Co. vanuit de Hermitage verkocht aan Andrew W. Mellon; tegenwoordig in de National Gallery of Art in Washington.

Van Manet tot Oude Meesters

De galerie verwierf in de jaren twintig bekendheid met ambitieus opgezette tentoonstellingen. In 1924 organiseerde Matthiesen een tentoonstelling rond Henri de Toulouse-Lautrec, in 1926 volgde Honoré Daumier en in 1928 een omvangrijke retrospectieve van Édouard Manet.[2] De Manet-tentoonstelling bracht schilderijen, pastels, aquarellen en tekeningen uit verschillende openbare en particuliere collecties bijeen en bevestigde de positie van de galerie binnen de Berlijnse kunstwereld.

Tegelijkertijd handelde Matthiesen intensief in Oude Meesters. Nederlandse, Vlaamse, Italiaanse en Spaanse schilderkunst vormde een belangrijk onderdeel van de internationale transacties van de firma.

Hendrick ter Brugghen, Dobbelende soldaten. Olieverf op doek, 85.5 x 115 cm. Rond 1943 bij de Matthiesen Gallery.

De Hermitage-verkopen

De naam Matthiesen is vooral verbonden gebleven aan een van de beroemdste kunsttransacties van de twintigste eeuw. Rond 1930–1931 verkocht de Sovjet-Unie in het geheim een aantal topstukken uit de Hermitage in Leningrad om buitenlandse valuta te verkrijgen.

Galerie Matthiesen werkte hierbij samen met de Londense kunsthandel P. & D. Colnaghi & Co. en M. Knoedler & Co. in New York. Via dit consortium verwierf de Amerikaanse bankier en verzamelaar Andrew W. Mellon uiteindelijk een groep van 21 meesterwerken uit de Hermitage.[3]

Rembrandt van Rijn, Een Poolse edelman, 1637. Olieverf op paneel, circa 97 × 66 cm. In februari 1931 vanuit de Hermitage via Galerie Matthiesen, Colnaghi en Knoedler verkocht aan Andrew W. Mellon; sinds 1937 in de National Gallery of Art, Washington.[4]

Daaronder bevonden zich werken van kunstenaars als Jan van Eyck, Rafaël, Titiaan, Botticelli, Frans Hals en Rembrandt. De schilderijen gingen later deel uitmaken van Mellons schenking aan de Verenigde Staten en behoren tegenwoordig tot de kerncollectie van de National Gallery of Art in Washington.

De transacties illustreren het niveau waarop Matthiesen opereerde. De galerie was geen uitsluitend lokale Berlijnse kunsthandel, maar maakte deel uit van een internationaal netwerk waarin belangrijke Europese collecties werden verbonden met vermogende Amerikaanse verzamelaars.

Peter Paul Rubens, Portret van Diego Mexía Felipez de Guzmán y Dávila. Olieverf op doek, 118 x 103 cm. In bezit van de Matthiesen Gallery rond 1947.

Vlucht uit Duitsland

Na de machtsovername door de nationaalsocialisten veranderde de positie van de Joodse galeriehouder ingrijpend. Franz Zatzenstein-Matthiesen vluchtte in 1933 voor de Gestapo naar Zwitserland en vestigde zich uiteindelijk in Londen. De Berlijnse onderneming bleef nog enige tijd bestaan, maar werd uiteindelijk onder nationaalsocialistische druk overgenomen en in 1939 geariseerd.[5]

De geschiedenis van de handelsvoorraad is complex. In de jaren twintig had Zatzenstein-Matthiesen aanzienlijke kredieten voor zijn galerie afgesloten. In 1934 droeg hij kunstwerken uit zijn voorraad over aan de Dresdner Bank ter aflossing van resterende schulden. Een deel daarvan kwam in 1935 in bezit van de Pruisische staat en vervolgens bij de Staatliche Museen zu Berlin terecht.

Peter Paul Rubens, Een dame. Olieverf op doek, 73 x 60 cm. Vanaf circa 1926 bij kunsthandel Matthiesen in Berlijn, vanuit Genua.

Het is daarom te eenvoudig om te stellen dat de gehele voorraad van Galerie Matthiesen rechtstreeks voor het geplande Führermuseum werd bestemd. Wel raakte de voormalige onderneming na de gedwongen uitschakeling van haar Joodse eigenaar verweven met de nationaalsocialistische kunsthandel en werden vanuit de ge­ariseerde firma later ook transacties verricht in verband met de Sonderauftrag Linz.[5]

Restitutie aan de familie Matthiesen

De geschiedenis van de galerie is nog altijd onderwerp van provenance-onderzoek. In oktober 2024 restitueerde de Stiftung Preußischer Kulturbesitz vijf schilderijen uit de Gemäldegalerie in Berlijn aan de nakomelingen van de oorspronkelijke eigenaren van Galerie Matthiesen. Over een zesde schilderij werd een overeenkomst bereikt waardoor het in de museumcollectie kon blijven.[6]

Toegeschreven aan Peter Wtewael, Esau verkoopt Jacob zijn eerstgeboorterecht voor een kom linzen. Olieverf op doek, 157 x 205 cm. Rond 1985 bij de Matthiesen Galerie.

Francis en Patrick Matthiesen

Francis Matthiesen zette zijn activiteiten na zijn vertrek uit Duitsland in Londen voort. Zijn galerie bleef daar tot zijn overlijden in 1963 bestaan.[7]

Ruim tien jaar later keerde de familienaam terug in de internationale kunsthandel. Zijn zoon Patrick Matthiesen richtte eind 1977 Matthiesen Fine Art Ltd. in Londen op. Deze onderneming ontwikkelde zich opnieuw tot een belangrijke handel in Oude Meesters, maar moet historisch worden onderscheiden van de oorspronkelijke Berlijnse en Londense galerie van Francis Matthiesen.[7]

Heeft u een bijzondere belangstelling voor deze kunstenaar of voor dit onderwerp?

Volgt u deze kunstenaar of bent u een werk tegengekomen waarover u meer wilt weten? Wij doen regelmatig onderzoek naar werken die op de markt verschijnen en wisselen graag van gedachten over kwaliteit, provenance, kunsthistorische context en eerdere verkoopresultaten. U kunt ons rechtstreeks bereiken via info@antonello.art.

Voetnoten

[1] Staatliche Museen zu Berlin, Galerie Matthiesen, Berlin/London; National Gallery of Art, provenance authority record Franz M. Zatzenstein, 1897–1963.

[2] Galerie Matthiesen, Ausstellung Gemälde und Zeichnungen von Henri de Toulouse-Lautrec, Berlijn, 1924; Ausstellung H. Daumier, Berlijn, 1926; Ausstellung Edouard Manet 1832–1883, Gemälde, Pastelle, Aquarelle, Zeichnungen, Galerie Matthiesen, Berlijn, 6 februari–18 maart 1928.

[3] National Gallery of Art, A History of the Dutch Paintings Collection at the National Gallery of Art; documentatie betreffende de aankoop door Andrew W. Mellon van 21 schilderijen uit de Hermitage via Matthiesen Gallery, P. & D. Colnaghi & Co. en M. Knoedler & Co.

[4] National Gallery of Art, Washington, Rembrandt van Rijn, A Polish Nobleman, inv.nr. 1937.1.77; provenance: Imperial Hermitage Gallery, Sint-Petersburg; verkocht in februari 1931 via Matthiesen Gallery, Colnaghi en Knoedler aan Andrew W. Mellon.

[5] Staatliche Museen zu Berlin, Galerie Matthiesen, Berlin/London; Deutsches Zentrum Kulturgutverluste, documentatie betreffende Galerie Matthiesen en de gedwongen beëindiging van de Joodse onderneming tijdens het nationaalsocialisme.

[6] Staatliche Museen zu Berlin / Stiftung Preußischer Kulturbesitz, Fünf Werke aus der Gemäldegalerie an Erben der Inhaber der Galerie Matthiesen restituiert, 22 oktober 2024.

[7] Matthiesen Gallery, Londen, geschiedenis van Francis en Patrick Matthiesen; Francis’ Londense galerie sloot na zijn overlijden in 1963. Patrick Matthiesen richtte eind 1977 Matthiesen Fine Art Ltd. op.