Een netwerk van barstjes, een witte waas, een deuk in het doek of enkele ontbrekende verfschilfers kan veel zeggen over de conditie van een schilderij. Wie schade wil herkennen, moet eerst begrijpen uit welke lagen een schilderij bestaat, welke veranderingen bij natuurlijke veroudering horen en welke verschijnselen daadwerkelijk op instabiliteit kunnen wijzen.

Op een oud schilderij kan het verfoppervlak van dichtbij volledig dooraderd zijn met fijne barstjes. Vooral onder strijklicht worden ze zichtbaar: rechte lijnen, kleine eilandjes, soms een vrijwel regelmatig netwerk over grote delen van het oppervlak. De eerste reactie is begrijpelijk: is de verf aan het barsten en dus beschadigd? Niet noodzakelijk.

Craquelé is een van de duidelijkste voorbeelden van het verschil tussen zichtbare veroudering en actieve schade. Barstvorming behoort tot de materiële geschiedenis van veel schilderijen. Pas wanneer de randen van die barsten omhoogkomen, verfschilfers losraken, delen van de verflaag verdwijnen of het patroon aantoonbaar verandert, wordt de conditievraag urgenter.[1]

Fijn, vlakliggend craquelé in een oude verflaag. Een dicht netwerk van barstjes kan deel uitmaken van de normale veroudering van een schilderij en betekent op zichzelf niet dat de verflaag instabiel is.

Een schilderij bestaat uit lagen

Bij een traditioneel schilderij op doek bestaat de constructie meestal uit een geweven drager die op een spieraam of spanraam is bevestigd, daarover een voorbereidende laag of grondering, vervolgens een of meerdere verflagen en soms een vernis. Een paneelschilderij heeft een stijve drager van hout of een ander materiaal, maar ook daar liggen grondering, verf en eventuele oppervlaktelagen boven op elkaar.[1]

Die materialen gedragen zich niet allemaal hetzelfde. Hout reageert anders op vocht dan verf. Doek kan ontspannen, krimpen of vervormen. Lijmhoudende gronderingen kunnen sterk op klimaat reageren. Een oude olieverflaag wordt met de tijd minder flexibel. Vernis kan verkleuren of bros worden.

Een verheven verfschilfer kan bijvoorbeeld samenhangen met verlies van hechting tussen verf en grondering, maar ook tussen grondering en doek. Een barstenpatroon kan verband houden met langdurige veroudering, met de oorspronkelijke schildertechniek, met veranderingen in relatieve luchtvochtigheid of met een mechanische belasting zoals een klap tegen het doek.[1]

Bij cupping en lifting komen de randen van door craquelé begrensde verfveldjes omhoog. Anders dan vlakliggend ouderdomscraquelé kan dit wijzen op verminderde hechting en een verhoogd risico op verfverlies.

Craquelé is niet automatisch een conditieprobleem

Craquelure is een netwerk van barsten in verf- of vernislagen dat onder meer door veroudering, technische eigenschappen en onderlinge beweging van lagen en drager kan ontstaan. Dergelijke barstennetwerken zeer algemeen zijn bij oudere schilderijen.[1] Belangrijk is dat niet alle craquelé dezelfde oorsprong heeft.

Ouderdomscraquelé ontstaat gedurende het materiële leven van een schilderij onder invloed van spanningen en veranderingen in de verschillende lagen. Primaire of drogingscraquelé kan juist al relatief vroeg zijn ontstaan tijdens het drogen van de verf, bijvoorbeeld door de opbouw van verschillende verflagen of door bepaalde samenstellingen van het schildermateriaal. Daarnaast bestaan mechanische barsten, veroorzaakt door druk, impact of vervorming.[1]

Enige barstvorming in grond- en verflagen is bij oudere schilderijen onvermijdelijk en betekent niet automatisch dat een werk instabiel is. Anders wordt het wanneer de afzonderlijke verfveldjes langs de craquelé omhoogkrullen of als ondiepe kommetjes gaan staan. Zulke cupped en lifting randen zijn kwetsbaarder voor afschilfering en verfverlies.[1]

Losrakende verfschollen zijn een belangrijk conditieverschijnsel. Bij flaking is verf of grondering gedeeltelijk of volledig losgeraakt van de onderliggende laag, waardoor daadwerkelijk materiaalverlies kan optreden.

Wanneer losse verf wél een alarmsignaal is

Bij werkelijk loszittende verf verandert de situatie. Conservatoren gebruiken verschillende termen voor vormen van onthechting. Bij cleavage is sprake van scheiding tussen lagen. Bij lifting komt verf plaatselijk omhoog. Bij cupping vormen door craquelé begrensde verfveldjes komvormige zones met verheven randen. Bij flaking zijn fragmenten van verf of grondering gedeeltelijk of volledig losgeraakt van de laag eronder.[1]

Een vochtvlek aan de achterzijde van een schilderdoek kan wijzen op vroegere blootstelling aan water. Water kan daarnaast vervorming, zwelling, verlies van hechting en verkleuring veroorzaken.

Een scheur of gat in doek: centimeters zeggen niet genoeg

Een scheur in een schilderdoek is een ander type probleem. Hier is niet alleen de verflaag betrokken: de primaire drager zelf is onderbroken. Een relatief korte verse scheur kan vervormde vezels hebben en langs de randen losse verf vertonen. Een veel langere oude scheur kan in het verleden deskundig zijn hersteld en inmiddels stabiel zijn.

Bij beoordeling zijn daarom onder meer de positie van de scheur, de vervorming van het doek, de toestand van de vezels en vooral de conditie van verf en grondering rondom de beschadiging van belang. Scheuren in schilderdoek dienen niet nodeloos lang onbehandeld te zijn. Naarmate beschadigde doekdraden verder uit positie raken, kan reconstructie moeilijker worden.[2]

Een witachtige of melkachtige waas kan voorkomen in verf- of vernislagen en onder meer samenhangen met vocht of veranderingen in oppervlakte- en schildermaterialen.

Bobbels, deuken en golven in het doek

Een schilderdoek hoeft niet gescheurd te zijn om structureel vervormd te raken. Een deuk is een naar binnen gedrukte vervorming, meestal veroorzaakt door een klap of druk. Een bobbel kan juist naar voren komen. Bollingen kunnen onder meer ontstaan na een klap tegen de achterzijde, door langdurige druk of doordat zich iets tussen doek en spieraam bevindt, bijvoorbeeld vuil of een losgeraakt onderdeel.[1]

Langs randen en hoeken kunnen daarnaast golvende vervormingen en zogenaamde corner draws ontstaan. Klimaat en ongelijkmatige spanning spelen daarbij een rol. Hier ontstaat gemakkelijk een verkeerde doe-het-zelfreactie: het doek oogt slap, dus de houten sleutels in de hoeken van het spieraam worden verder naar buiten getikt om het oppervlak strakker te trekken. Dat kan juist nieuwe schade veroorzaken.

Keying out is geen algemene oplossing voor een slap of vervormd historisch schilderij. Extra spanning kan in een bros geworden grond- en verflaag nieuwe barsten veroorzaken en bestaande problemen verergeren.[2] Een bobbel zegt dus niet automatisch dat “het doek opnieuw gespannen moet worden”. Eerst moet worden vastgesteld waarom de vervorming aanwezig is.

Verouderde vernis kan vergelen en het kleurbeeld van een schilderij warmer en donkerder maken. Ook oppervlaktevuil, rook, oude retouches en veranderingen in oorspronkelijke materialen kunnen aan een verdonkerde indruk bijdragen.

Waterschade kan zich op meerdere niveaus tegelijk tonen

Water behoort tot de omstandigheden waarbij sneller handelen gerechtvaardigd kan zijn. Bij een schilderij op doek kan vocht het textiel doen veranderen en het spieraam laten zwellen of vervormen. Grondering en verflagen kunnen opzwellen, loskomen, barsten of afschilferen. Vernis- en verflagen kunnen plaatselijk een witte waas ontwikkelen. Bij houten panelen kan de drager zwellen of kromtrekken. Wanneer een werk langzaam vochtig blijft, neemt bovendien het risico op schimmel toe.[3]

Een witte waas is geen diagnose

Een melkachtige of witachtige sluier op een schilderij wordt geregeld als “vochtschade” aangeduid. Dat kan te snel zijn. Conservatoren gebruiken onder meer termen als blanching en bloom voor verschillende witachtige oppervlakteverschijnselen. Ook vocht kan tot blanching van verf of vernis leiden.

Visueel kunnen daarnaast matte vernis, vervuiling, oude restauratiematerialen en andere oppervlakteveranderingen een vergelijkbare indruk geven. Zonder onderzoek is “witte waas” daarom een observatie, geen materiaalanalytische identificatie.

Strijklicht valt onder een zeer kleine hoek over het schilderij en maakt oppervlaktereliëf veel duidelijker zichtbaar. Opstaande verf, cupping, deuken en andere vervormingen die bij frontale belichting nauwelijks opvallen, kunnen zo beter worden onderzocht.

Waarom wordt een oud schilderij donker?

Een donker schilderij wordt vaak eenvoudig verklaard met: “de vernis is vergeeld.” Oude oppervlaktevervuiling kan bestaan uit stof, vet, roet, kookaanslag en tabaksrook. Veel traditionele vernissen verkleuren en verdonkeren bij veroudering. Oude retouches kunnen anders verkleuren dan de oorspronkelijke verf. Reiniging uit het verleden kan delen van het oppervlak hebben afgesleten. Sommige oorspronkelijke pigmenten en bindmiddelen veranderen zelf chemisch.

Een donker oppervlak zegt dus nog niet hoe een schilderij na restauratie zal ogen. Dat kan pas na materiaalonderzoek en zorgvuldig uitgevoerde reinigingstests worden beoordeeld. En juist daarom is zelf schoonmaken riskant. Wat eruitziet als vuil kan boven op een gevoelige of reeds aangetaste verflaag liggen; een reinigingsmiddel dat één laag verwijdert kan ook originele materialen aantasten.[4]

Wanneer moet een restaurator naar het schilderij kijken?

Niet ieder oud barstje vereist behandeling. Wel wanneer verf zichtbaar omhoogstaat of loskomt; wanneer nieuwe verfverliezen optreden; wanneer een scheur of gat recent is ontstaan; wanneer het doek sterk vervormt; na directe waterschade of bij vermoedelijke schimmel. De kern is dus niet de vraag of een schilderij tekenen van ouderdom vertoont. Dat doen historische schilderijen vrijwel per definitie.

Een dicht netwerk van vlakliggende craquelé kan al zeer lang tot de toestand van een schilderij behoren. Een nauwelijks zichtbaar verheven verfschilfertje kan daarentegen juist onmiddellijk aandacht verdienen. Dat verschil leer je niet door iedere onregelmatigheid als schade te behandelen, maar door nauwkeurig te kijken naar laag, oorzaak, hechting en verandering.

Noten en bronnen

[1] Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, “craquelure”, “ouderdomscraquelure” en “primaire craquelure”, Cultuurhistorische Thesaurus; Canadian Conservation Institute, Know Your Paintings – Structure, Materials and Aspects of Deterioration; Canadian Conservation Institute, Condition Reporting – Paintings. Part III: Glossary.

[2] Canadian Conservation Institute, Basic Care – Paintings, over onder meer gescheurd doek, behandeling, klimaat, hantering en reparatie; Canadian Conservation Institute, Keying Out of Paintings.

[3] Barbara Klempan / Canadian Conservation Institute Fine Arts Section, Emergency Treatment of Water-damaged Paintings on Canvas; Canadian Conservation Institute, Environmental Guidelines for Paintings.

[4] Canadian Conservation Institute, Cleaning Paintings: Precautions.