Een schilderij vertelt meer dan wat aan de voorzijde zichtbaar is. Onder de verf kunnen eerdere composities verborgen liggen, in een houten paneel zit informatie over de ouderdom van het gebruikte hout en de pigmenten kunnen aanwijzingen geven over de periode waarin een werk onmogelijk vóór kan zijn gemaakt.
Zelfs oude restauraties, overschilderingen en veranderingen die een kunstenaar tijdens het schilderen aanbracht, kunnen tegenwoordig zichtbaar worden gemaakt. Dat betekent niet dat een laboratoriumtest simpelweg kan vaststellen wie een schilderij heeft geschilderd. Zo werkt authenticiteitsonderzoek vrijwel nooit.

Een overtuigende toeschrijving ontstaat door verschillende soorten bewijs naast elkaar te leggen: kunsthistorisch onderzoek, herkomstonderzoek, onderzoek naar stijl en schildertechniek en, wanneer daar aanleiding toe bestaat, natuurwetenschappelijk materiaalonderzoek. Juist de combinatie daarvan is belangrijk.
Een pigment dat pas vanaf de negentiende eeuw beschikbaar was, kan bijvoorbeeld een vermeend zeventiende-eeuws schilderij problematisch maken. Maar het omgekeerde geldt niet: het aantreffen van uitsluitend zeventiende-eeuwse materialen bewijst niet automatisch dat Rembrandt, Van Dyck of een andere oude meester het werk heeft geschilderd.
Onderzoek begint niet in een laboratorium
Het is doorgaans niet logisch om onmiddellijk met röntgenonderzoek of pigmentanalyse te beginnen. Het eerste onderzoek is veel eenvoudiger. Er wordt gekeken. Niet alleen naar de voorstelling, maar naar het object als geheel. De voorkant, achterkant, drager, spieraam of paneel, lijst, etiketten, zegels, oude inventarisnummers, opschriften, beschadigingen en restauraties kunnen allemaal informatie bevatten.

Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dit stadium wordt bij particuliere schilderijen vaak onderschat. Een etiket van een handelaar kan iets zeggen over de provenance. Een oud veilingnummer kan naar een catalogus leiden. De constructie van een paneel kan passen bij een bepaalde geografische traditie. Een afwijkend formaat kan erop wijzen dat het schilderij ooit is verkleind. Een signatuur kan boven op oud craquelé liggen en daardoor mogelijk later zijn aangebracht.
Microscopisch onderzoek: het verfoppervlak van dichtbij
Met vergroting wordt zichtbaar wat met het blote oog gemakkelijk wordt gemist. Men kan onder meer kijken naar de opbouw van verfstreken, craquelé, pigmentdeeltjes, beschadigingen, retouches, vernislagen en de verhouding tussen een signatuur en de omliggende verf.
Bij een oude verflaag kunnen bijvoorbeeld verschillende historische lagen over elkaar liggen. Een gedeelte dat voor een eigenaar volkomen homogeen lijkt, kan onder vergroting bestaan uit originele verf, een oude vernislaag en latere retouches.
Een restaurator die een beschadiging in 1950 heeft bijgewerkt, heeft immers moderne verf aan een zeventiende-eeuws schilderij toegevoegd. Wanneer vervolgens zonder context een modern pigment wordt aangetroffen, mag daaruit niet worden geconcludeerd dat het hele schilderij modern is. De locatie van een waarneming is dus minstens zo belangrijk als de waarneming zelf.

Strijklicht: het reliëf van een schilderij zichtbaar maken
Een bijzonder eenvoudige maar nuttige techniek is onderzoek met strijklicht. Daarbij wordt licht vrijwel parallel aan het schilderijoppervlak geplaatst. Kleine hoogteverschillen werpen daardoor relatief sterke schaduwen.
Impasto, dikke, pasteus aangebrachte verf, wordt veel duidelijker zichtbaar. Maar ook vervormingen van het doek, oude beschadigingen, naden, plaatselijke restauraties en veranderingen in de ondergrond kunnen naar voren komen. Strijklicht geeft geen chemische informatie en vertelt niet rechtstreeks hoe oud een schilderij is. De techniek kan wel helpen begrijpen hoe het object fysiek is opgebouwd en waar verder onderzoek zinvol kan zijn.
Ultravioletfluorescentie: restauraties en vernissen onderzoeken
Wanneer een schilderij met ultraviolet licht wordt onderzocht, kunnen bepaalde materialen fluorescentie vertonen. Daardoor ontstaat een beeld dat sterk kan afwijken van wat we bij normaal licht zien. Vooral bij onderzoek naar vernislagen en restauraties kan UV-onderzoek nuttig zijn.
Oudere natuurlijke vernissen kunnen onder ultraviolet licht een karakteristieke fluorescentie vertonen, terwijl sommige latere retouches zich als donkere of afwijkende gebieden aftekenen. Het resultaat kan daardoor een soort kaart opleveren van restauratiegeschiedenis. Maar ook hier geldt een belangrijke beperking: een UV-opname is geen automatische ouderdomstest.
De fluorescentie wordt beïnvloed door materiaalsoort, ouderdom, laagdikte, eerdere behandelingen en andere factoren. Interpretatie vereist ervaring en moet worden gecombineerd met observatie onder normaal licht en eventueel verder materiaalonderzoek. Voor een eigenaar kan zo’n opname desondanks bijzonder verhelderend zijn. Een schilderij dat op het eerste gezicht vrijwel onaangeroerd lijkt, kan in ultraviolet licht omvangrijke restauraties vertonen.
Dat is niet noodzakelijk negatief. Veel belangrijke schilderijen zijn in hun bestaan gerestaureerd. Het gaat erom te begrijpen wat origineel is, wat later is toegevoegd en in welke conditie het oorspronkelijke verfoppervlak verkeert.

Infraroodreflectografie: kijken onder de zichtbare verf
Een van de bekendste technieken binnen schilderijenonderzoek is infraroodreflectografie, meestal afgekort tot IRR. Bepaalde verflagen die voor zichtbaar licht ondoorzichtig zijn, kunnen voor infrarode straling in zekere mate transparant zijn. Koolstofhoudende materialen onder de verf kunnen infrarood juist sterk absorberen. Daardoor kan in gunstige gevallen een ondertekening zichtbaar worden.
Dat levert soms spectaculaire resultaten op. Onder de geschilderde voorstelling kunnen lijnen tevoorschijn komen die de kunstenaar gebruikte om de compositie voor te bereiden. Er kunnen veranderingen zichtbaar worden in handen, gezichten, kleding of architectuur. Soms blijkt een figuur aanvankelijk op een andere plaats te hebben gestaan.
Dergelijke veranderingen worden vaak aangeduid als pentimenti. Voor onderzoek naar auteurschap kunnen deze gegevens bijzonder interessant zijn. Niet omdat iedere kunstenaar één onveranderlijke soort ondertekening gebruikte, maar omdat voorbereidingsmethoden onderdeel kunnen zijn van een breder technisch patroon binnen een oeuvre of atelier.
Röntgenonderzoek: de interne structuur van het schilderij
Röntgenonderzoek werkt volgens een ander principe dan infraroodreflectografie en levert daarom andere informatie. Materialen absorberen röntgenstraling in verschillende mate. Pigmenten die elementen met een relatief hoog atoomnummer bevatten, kunnen bijvoorbeeld duidelijk zichtbaar worden in een röntgenopname.

Daardoor kan informatie worden verkregen over de verdeling van bepaalde verflagen, maar ook over de constructie van een paneel of andere delen van het object. Röntgenfoto’s kunnen eerdere composities zichtbaar maken, veranderingen tijdens het schilderproces tonen en structurele informatie geven.
Een bekend voordeel van röntgenonderzoek is dat een schilderij soms letterlijk een ander schilderij blijkt te bevatten. Schilders hergebruikten dragers. Composities werden gewijzigd. Figuren verdwenen en werden overschilderd. Een portret kon oorspronkelijk een andere houding hebben.
Een interessante röntgenfoto maakt een schilderij nog niet authentiek. Ook een navolger, ateliermedewerker of vervalser kan wijzigingen hebben aangebracht. De betekenis ontstaat pas wanneer het technische beeld wordt vergeleken met gedocumenteerde werken en historische schilderpraktijken.
XRF: de elementen in pigmenten onderzoeken
Met röntgenfluorescentiespectrometrie, meestal aangeduid als XRF, kan worden onderzocht welke chemische elementen aanwezig zijn in of nabij het verfoppervlak. Dat is iets anders dan een pigment rechtstreeks identificeren. Wanneer bijvoorbeeld lood wordt gemeten, kan dat samenhangen met een loodhoudend pigment, maar voor een precieze interpretatie moeten locatie, laagopbouw en andere elementen worden meegenomen.

XRF-resultaten worden daarom vaak gecombineerd met andere analytische technieken. Een belangrijk voordeel is dat XRF in veel toepassingen niet-destructief kan worden uitgevoerd. Bij scanning macro-XRF wordt een groot gedeelte van een schilderij systematisch gemeten, zodat verspreidingskaarten van bepaalde elementen kunnen ontstaan.
Hierdoor kunnen verborgen vormen en veranderingen zichtbaar worden, maar kan ook informatie worden verzameld over de gebruikte materialen. Voor dateringsvraagstukken kunnen zulke analyses belangrijk zijn wanneer materialen worden aangetroffen die historisch niet passen bij de veronderstelde vervaardigingsperiode. Maar misschien bevindt het zich uitsluitend in een restauratiegedeelte.
Raman, FTIR en andere spectroscopische technieken
Wanneer nauwkeuriger moet worden vastgesteld uit welke verbinding een materiaal bestaat, komen andere analytische technieken in beeld. Raman-spectroscopie en Fourier-transform-infraroodspectroscopie (FTIR) kunnen helpen bij het karakteriseren of identificeren van pigmenten, vulstoffen, bindmiddelen, vernissen en andere organische of anorganische stoffen.
Voor een particuliere eigenaar zijn de exacte natuurkundige principes meestal minder relevant dan de onderzoeksvraag waarop deze technieken antwoord kunnen geven. Is het blauwe pigment verenigbaar met de veronderstelde periode? Waaruit bestaat een bepaalde vernis? Is een materiaal oorspronkelijk of behoort het waarschijnlijk tot een latere restauratie?
Bij serieus materiaalonderzoek wordt daarom gedacht vanuit de vraag “Welke hypothese willen we onderzoeken?” Dat voorkomt kostbaar onderzoek dat uiteindelijk nauwelijks iets over het schilderij zegt.

Verfmonsters en microscopische dwarsdoorsneden
Sommige vragen kunnen niet uitsluitend met beeldvorming worden opgelost. In gespecialiseerde gevallen kan een uiterst klein verfmonster worden genomen. Zo’n monster kan in hars worden ingebed, gepolijst en microscopisch als dwarsdoorsnede worden onderzocht.
Daarbij wordt de stratigrafie van het schilderij zichtbaar: de opeenvolging van grondlagen, onderschildering, verschillende verflagen, vernissen en eventueel latere restauraties. Omdat voor een dwarsdoorsnede daadwerkelijk materiaal wordt afgenomen, is dit in tegenstelling tot veel beeldvormende technieken een invasieve onderzoeksmethode. Dat betekent dat bemonstering doelgericht en zo minimaal mogelijk hoort te gebeuren.
Dendrochronologie: de jaarringen van een houten paneel
Bij schilderijen op houten paneel bestaat nog een buitengewoon interessante mogelijkheid: dendrochronologisch onderzoek. Bomen vormen groeiringen waarvan de breedte onder invloed van klimatologische omstandigheden van jaar tot jaar varieert. Door patronen van opeenvolgende jaarringen te vergelijken met gedateerde referentiereeksen kan het hout van bepaalde panelen worden gedateerd.
Dendrochronologie wordt dan ook regelmatig toegepast bij oude paneelschilderijen. Maar ook dendrochronologie wordt vaak verkeerd begrepen. De methode dateert in de eerste plaats het hout, niet rechtstreeks het moment waarop de kunstenaar het schilderij voltooide.

Tussen de laatste meetbare jaarring, het vellen van de boom, het verwerken en drogen van het hout en het beschilderen van het paneel kan tijd zijn verstreken. Bovendien kunnen de buitenste ringen ontbreken doordat een plank tijdens de verwerking is bijgesneden. Daarom leidt dendrochronologisch onderzoek meestal tot een terminus of dateringsbereik en niet simpelweg tot de mededeling: “dit schilderij is gemaakt in 1632”.
Onderzoek van doek en drager
Niet ieder schilderij is op paneel gemaakt. Bij schilderijen op doek kunnen het weefsel, de draaddichtheid, naden, opspanning en randen belangrijke informatie verschaffen. Geavanceerde analyse van doekstructuren kan zelfs helpen verbanden te leggen tussen schilderijen die uit dezelfde rol canvas afkomstig lijken te zijn.
Ook de randen van een schilderij zijn daarom belangrijk. Is het oorspronkelijke formaat behouden? Zijn oude spijkergaten aanwezig? Is het doek later doublerend van een tweede doek voorzien? Is het schilderij ooit afgesneden? Past het spieraam bij de veronderstelde periode? Dit soort ogenschijnlijk bescheiden details kan bij een toeschrijvingsonderzoek belangrijker blijken dan een spectaculaire laboratoriumopname.
Kan technisch onderzoek bewijzen wie een schilderij heeft gemaakt?
Dit is uiteindelijk de vraag die de meeste eigenaren interesseert. Het korte antwoord is: zelden op zichzelf. Technisch onderzoek is bijzonder sterk in het uitsluiten van mogelijkheden.
Wanneer een schilderij dat aan een in 1720 overleden kunstenaar wordt toegeschreven aantoonbaar een materiaal bevat dat pas veel later beschikbaar kwam, en kan worden vastgesteld dat dit materiaal tot de oorspronkelijke verflaag behoort, ontstaat een fundamenteel probleem voor die toeschrijving.

Technisch onderzoek kan daarnaast positieve overeenkomsten blootleggen. Dezelfde soort paneelconstructie. Een vergelijkbare grondlaag. Een karakteristieke ondertekening. Een overeenkomstige opbouw van verflagen. Materialen die aansluiten bij andere gedocumenteerde werken. Maar overeenstemming is niet hetzelfde als identificatie. Een atelierassistent kan dezelfde materialen hebben gebruikt als de meester. Een tijdgenoot kan zijn techniek hebben gekend. Een kundige navolger kan historische materialen hebben gebruikt.
Daarom is authenticiteitsonderzoek bij belangrijke schilderijen meestal interdisciplinair. In museale onderzoeksprojecten worden röntgenonderzoek, infraroodreflectografie, dendrochronologie, microscopie en materiaalonderzoek juist gecombineerd om schildertechniek en vervaardigingsgeschiedenis als geheel te begrijpen.
Niet ieder schilderij heeft laboratoriumonderzoek nodig
Wanneer iemand een schilderij bezit waarvan de maker onbekend is, ontstaat gemakkelijk het idee dat kostbaar technisch onderzoek de eerste stap zou moeten zijn. Meestal is dat niet zo. Een logisch onderzoek begint breed en wordt daarna steeds specifieker. Eerst moet worden vastgesteld wat er feitelijk voor ons staat: welke voorstelling en vermoedelijke periode, welke drager, welke zichtbare restauraties en vooral: welke kunsthistorische hypothese is überhaupt aannemelijk?
Pas daarna ontstaat de vraag of aanvullend technisch onderzoek nieuwe informatie kan opleveren. Wanneer een schilderij stilistisch bijvoorbeeld evident uit omstreeks 1900 dateert, heeft dendrochronologisch onderzoek naar een vermeende zeventiende-eeuwse oorsprong weinig zin. De juiste volgorde bespaart niet alleen geld. Ze voorkomt vooral dat technische gegevens worden verzameld zonder dat duidelijk is wat ze betekenen.
Heeft u zelf een schilderij waarvan u meer wilt weten?
Een onverwachte ontdekking begint zelden met een laboratorium. Vaak begint zij met een schilderij dat jarenlang in een familie heeft gehangen, een onleesbare signatuur, een oud etiket op de achterkant of simpelweg de indruk dat een werk beter is dan de naam waaronder het ooit werd verkocht.
Niet ieder onbekend schilderij blijkt belangrijk te zijn. Maar sommige werken verdienen nader onderzoek. Wie wil laten beoordelen of verder onderzoek zinvol is, hoeft het schilderij daarvoor niet onmiddellijk te laten analyseren. Goede foto’s kunnen vaak al helpen bij een eerste selectie.
Heeft u een bijzondere belangstelling voor deze kunstenaar of voor dit onderwerp?
Volgt u deze kunstenaar of bent u een werk tegengekomen waarover u meer wilt weten? Wij doen regelmatig onderzoek naar werken die op de markt verschijnen en wisselen graag van gedachten over kwaliteit, provenance, kunsthistorische context en eerdere verkoopresultaten. U kunt ons rechtstreeks bereiken via info@antonello.art.