Aan de achterzijde van een schilderij zijn vaak onderdelen zichtbaar die aan de voorkant verborgen blijven: het doek, de spanranden, het houten raamwerk, oude spijkergaten, reparaties en soms een tweede steundoek. Samen kunnen die aanwijzingen geven over de oorspronkelijke constructie en latere behandelingen.
Wie een schilderij op doek alleen van voren bekijkt, ziet slechts een deel van het object. Aan de achterkant wordt zichtbaar hoe de schildering fysiek wordt gedragen. Daar bevindt zich het doek zelf, gespannen over een houten raamwerk en vastgezet met spijkers, nagels of nieten. In de hoeken kunnen kleine houten spieën zitten. Soms is een tweede laag textiel aanwezig. Andere schilderijen vertonen oude gaatjes, reparaties, afgesneden randen of meerdere generaties bevestigingsmiddelen.
Juist die onderdelen kunnen veel zeggen over wat er in de loop van de tijd met een schilderij is gebeurd. Een zeventiende-eeuws schilderij kan in de negentiende eeuw een nieuw spieraam hebben gekregen en in de twintigste eeuw zijn bedoekt. Het huidige uiterlijk van de achterkant is dan het resultaat van verschillende momenten uit de geschiedenis van hetzelfde object.

Het doek als primaire drager
Bij een schilderij op doek vormt het textiel de primaire drager van de verflaag. Historisch werd daarvoor vooral linnen gebruikt, maar afhankelijk van periode, plaats en beschikbaarheid komen ook andere vezels voor.[1] Van de voorkant zien we daar doorgaans weinig van. Aan de achterzijde kan het weefsel veel duidelijker zichtbaar zijn, tenzij het schilderij later is bedoekt.
De eerste verleiding is vaak om aan de hand van kleur, grofheid of uiterlijk van het doek te bepalen hoe oud het is. Zo eenvoudig werkt dat niet. Een donker en grof ogend doek hoeft niet zeer oud te zijn, terwijl een relatief regelmatig weefsel ook al eeuwen geleden kan zijn vervaardigd. Technisch onderzoek kijkt daarom naar veel specifiekere kenmerken: de binding van het textiel, de dichtheid van de draden, naden, zelfkanten, spanranden en eventuele sporen van commerciële voorbereiding.
Bij technisch kunsthistorisch onderzoek kan de structuur van een doek zelfs digitaal worden geanalyseerd. Met zogenoemde weave maps worden variaties in het weefpatroon zichtbaar gemaakt. Wanneer twee schilderijen zeer overeenkomstige karakteristieken vertonen, kan dat erop wijzen dat hun doeken uit hetzelfde grotere stuk textiel of dezelfde rol zijn gesneden. Dergelijk onderzoek is onder meer toegepast op schilderijen van Johannes Vermeer.[2]

Spanraam of spieraam?
Het doek is bevestigd aan een houten raamwerk. In het dagelijks taalgebruik wordt vrijwel ieder dergelijk raam een spieraam genoemd, maar technisch bestaat er een nuttig onderscheid. Een spanraam is een vast raamwerk. De hoekverbindingen kunnen niet worden geopend om het formaat van het raam te vergroten. Een spieraam heeft verstelbare hoekverbindingen. In die hoeken bevinden zich openingen waarin kleine houten wiggen kunnen worden geplaatst. Door de constructie voorzichtig iets uit elkaar te drukken, kan het formaat van het raam minimaal worden vergroot.[1]
Het Engelse vakjargon maakt hetzelfde onderscheid tussen strainer en stretcher. Dat verschil kan belangrijk zijn wanneer de constructiegeschiedenis van een schilderij wordt onderzocht. Verstelbare spieramen ontwikkelen zich later dan eenvoudige vaste spanramen en worden vooral in de negentiende eeuw zeer gebruikelijk.[3]
Wanneer een zeventiende-eeuws schilderij nu op een negentiende-eeuws spieraam zit, bewijst dat alleen dat het huidige raam niet uit de oorspronkelijke vervaardigingsfase kan stammen. Het schilderij kan in zijn geschiedenis van het oorspronkelijke raam zijn verwijderd en opnieuw zijn opgespannen. Dat is bij oude schilderijen niet uitzonderlijk.

Waarvoor dienen de spietjes?
Bij een traditioneel verstelbaar spieraam zitten in de hoeken vaak kleine houten wiggen. Ze worden spieën, spielatjes of simpelweg spietjes genoemd. Meestal zijn er twee per hoek. Door een spie voorzichtig verder in de hoekverbinding te bewegen, worden twee latten minimaal uit elkaar gedrukt. Daardoor wordt het raam iets groter en kan de spanning van het doek worden verhoogd.[4]
Dat systeem is zeer praktisch tijdens het vervaardigen en opspannen van een schilderij. Bij een oud schilderij is het echter geen eenvoudige methode om een slap doek weer strak te trekken. Wanneer een doek enigszins slap hangt, lijkt de oplossing voor de hand te liggen: de spieën wat verder aantikken.
Maar een oud schilderij bestaat niet alleen uit textiel. Op het doek liggen lijm- of preparatielagen, een grondering, verf en mogelijk vernis. Die materialen zijn door veroudering veranderd en hebben ieder andere mechanische eigenschappen. Wanneer de spanning van het doek plotseling wordt vergroot, reageert de verflaag daar niet noodzakelijk probleemloos op.
Bovendien kan een slap doek meerdere oorzaken hebben. Het textiel kan in de loop van de tijd zijn ontspannen. De spanranden kunnen verzwakt zijn. Er kunnen bevestigingsnagels ontbreken. Het raamwerk kan vervormd zijn. Ook schommelingen in temperatuur en relatieve luchtvochtigheid beïnvloeden de mechanische toestand van doek en schilderlagen.

Waarom verandert de spanning van een schilderdoek?
Een gespannen schilderdoek staat voortdurend onder mechanische belasting. Tegelijkertijd reageren de verschillende materialen van een schilderij op hun omgeving. Hout zet uit en krimpt. Textiel reageert op vocht. Lijm- en gronderingslagen gedragen zich anders dan olieverf. Met veroudering kunnen materialen stijver en brozer worden.
De spanning kan plaatselijk verschillen en in de loop van jaren veranderen. Ook de manier waarop het doek oorspronkelijk is opgespannen, het aantal bevestigingspunten en eventuele latere restauraties hebben invloed. Een lichte vervorming is bovendien niet automatisch een ernstig conditieprobleem. Sommige onregelmatigheden zijn oud en stabiel. Andere kunnen samenhangen met een actieve verandering.
Kan een schilderij opnieuw worden opgespannen?
Ja, maar “opnieuw opspannen” kan verschillende dingen betekenen. Soms kan een doek opnieuw aan een bestaand raam worden bevestigd. In andere situaties worden beschadigde spanranden eerst versterkt. Een ondeugdelijk of vervormd raam kan worden vervangen. Bij zeer kwetsbare schilderijen kan een geheel andere steunconstructie noodzakelijk zijn. Het doel is een stabiele ondersteuning waarbij doek en schilderlagen zo min mogelijk mechanisch worden belast.

Wanneer er twee doeken zichtbaar zijn
Een van de meest opvallende situaties aan een schilderijachterkant is de aanwezigheid van een tweede doek. Dat kan wijzen op een bedoeking, ook wel doublage genoemd. Internationaal wordt meestal de term lining gebruikt. Bij een traditionele bedoeking wordt een tweede textiele drager aan de achterkant van het originele schilderdoek gehecht. Het doel was doorgaans om een verzwakt of beschadigd origineel doek structureel te ondersteunen.[1]
Door de eeuwen heen zijn daarvoor zeer verschillende methoden gebruikt. Lijmpasta was een belangrijk historisch systeem. Later werden onder meer was-harsmengsels en synthetische kleefstoffen toegepast.[5] Wanneer een schilderij is bedoekt, is daarom iets essentieels veranderd aan wat we aan de achterkant zien. Het zichtbare doek hoeft niet meer het oorspronkelijke kunstenaarsdoek te zijn.
Hoe herken je een bedoeking?
Bij sommige schilderijen is dat onmiddellijk duidelijk. Aan de achterkant is een volledige tweede weefsellaag zichtbaar en rond de randen kan soms worden gezien hoe de verschillende lagen zich tot elkaar verhouden. In andere gevallen is de situatie veel minder eenvoudig. Niet iedere tweede textiellaag is vast aan het oorspronkelijke doek verlijmd. Er bestaan ook losse steundoeken.
Bij zogenoemde randdoublage worden alleen stroken materiaal aan beschadigde randen toegevoegd om een schilderij opnieuw te kunnen opspannen.[1] Een volledige oude bedoeking kan juist veel oorspronkelijke informatie aan het zicht hebben onttrokken. De achterkant van het oorspronkelijke doek is dan afgedekt. Oude opschriften, reparaties, naden en oorspronkelijke bevestigingssporen kunnen verborgen zijn.

Een bedoeking is niet automatisch slecht
Bedoeking was lange tijd een normale restauratiepraktijk. Veel schilderijen zijn op die manier structureel ondersteund en hebben mede daardoor beschadigingen en verplaatsingen doorstaan. Tegelijkertijd is inmiddels duidelijk dat bepaalde historische technieken ook ongewenste effecten konden hebben. Bij het werken met warmte en druk kon bijvoorbeeld het reliëf van impasto afvlakken.[5]
Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw ontstond daarom meer terughoudendheid tegenover volledige doublage. Moderne conservering zoekt waar mogelijk naar minder ingrijpende oplossingen. Dat betekent echter niet dat iedere oude bedoeking moet worden verwijderd.
De spanranden zijn soms belangrijker dan het midden van het doek
Voor technisch onderzoek zijn de randen van een schilderij vaak bijzonder informatief. Daar kan zichtbaar worden hoe het doek oorspronkelijk was omgeslagen. Oude gaatjes kunnen eerdere bevestigingspunten markeren. Een scherpe vouw kan met een voormalig raamformaat samenhangen. Beschadigde randen kunnen verklaren waarom later een randdoublage of volledige bedoeking nodig werd.
Ook kan blijken dat een schilderij ooit is verkleind. Wanneer een doek werd afgesneden, kunnen oorspronkelijke spanranden geheel verdwenen zijn. In andere gevallen zijn oude omgevouwen randen juist vlakgelegd om het beeldoppervlak te vergroten. Daarom zegt alleen de huidige buitenmaat van een schilderij niet altijd alles over zijn oorspronkelijke formaat.
Niet origineel betekent niet onbelangrijk
Doek, verf en grondering stammen uit de vervaardigingsfase, maar het raamwerk kan later zijn vervangen. Het schilderij kan meerdere malen zijn afgespannen en opnieuw bevestigd. Een deel van wat we tegenwoordig zien, kan daarom eeuwen jonger zijn dan de schildering zelf. Een doublage kan een restauratiecampagne documenteren. Oude bevestigingsgaten kunnen een eerdere opspanning zichtbaar maken.
Wanneer verschillende fysieke aanwijzingen met elkaar overeenkomen, kan de achterzijde bijzonder veel informatie geven over hoe een schilderij is gemaakt, gedragen, veranderd en geconserveerd. Wie een schilderij serieus als object bekijkt, kijkt daarom niet alleen naar wat erop geschilderd is, maar ook naar wat het schilderij letterlijk bij elkaar houdt.
Heeft u een bijzondere belangstelling voor deze kunstenaar of voor dit onderwerp?
Volgt u deze kunstenaar of bent u een werk tegengekomen waarover u meer wilt weten? Wij doen regelmatig onderzoek naar werken die op de markt verschijnen en wisselen graag van gedachten over kwaliteit, provenance, kunsthistorische context en eerdere verkoopresultaten. U kunt ons rechtstreeks bereiken via info@antonello.art.
Noten en bronnen
[1] J. Paul Getty Trust, Conserving Canvas, “Glossary”, canvas, key, lining, loose-lining, strainer en stretcher.
[2] C. Richard Johnson e.a. (red.), Counting Vermeer: Using Weave Maps to Study Vermeer’s Canvases, RKD Studies, Den Haag: RKD Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, 2017.
[3] Rijksmuseum, “De achterkant van de Nachtwacht”, Operatie Nachtwacht.
[4] Canadian Conservation Institute, “Keying Out of Paintings”.
[5] Cynthia Schwarz, Ian McClure en Jim Coddington (red.), Conserving Canvas, J. Paul Getty Trust.